Traceerbaarheid van materialen (3.1 en 2.2 certificaten) in de lastechniek
Traceerbaarheid van materialen (3.1 en 2.2 certificaten) in de lastechniek
Binnen de gecertificeerde lastechniek is een constructie pas veilig als zwart-op-wit bewezen is welke materialen er zijn gebruikt. Of u nu staal, roestvaststaal (RVS) of aluminium verwerkt; materiaaltraceerbaarheid is een van de belangrijkste pijlers onder kwaliteitsnormen zoals de EN 1090 en ISO 3834.
Als er bij een brug, windmolen of drukvat schade ontstaat, moet men via het technisch dossier binnen enkele minuten kunnen achterhalen uit welke specifieke heatnummer/ chargenummer het gebruikte materiaal afkomstig is. Op deze pagina leggen we uit hoe materiaaltraceerbaarheid werkt en wat het verschil is tussen de bekende 2.2 en 3.1 certificaten conform de norm NEN-EN 10204.
Wat is de norm NEN-EN 10204?
De Europese norm EN 10204 specificeert de verschillende soorten keuringsdocumenten die bij de levering van metalen materialen (platen, balken, buizen) kunnen worden verstrekt. De norm maakt een scherp onderscheid tussen niet-specifieke keuring en specifieke keuring.

Het 2.2 Certificaat (Niet-specifieke keuring)
Een 2.2 certificaat is een verklaring van de fabrikant waarin wordt bevestigd dat de geleverde producten voldoen aan de eisen van de bestelling. De vermelde testresultaten (zoals treksterkte of chemische samenstelling) zijn echter afkomstig van algemene fabriekstesten op basis van de lopende productie, en dus niet specifiek gemeten op de platen die daadwerkelijk bij u in de werkplaats liggen.
Wanneer te gebruiken: Alleen toegestaan voor lichte, niet-kritieke constructies (zoals EN 1090 Executieklasse 1 of niet-dragende delen).
Het 3.1 Certificaat (Specifieke keuring)
Dit is het meest gevraagde en cruciale certificaat in de industrie. Een 3.1 certificaat wordt uitgegeven door de kwaliteitsafdeling van de staalfabriek (onafhankelijk van de productieafdeling). De testresultaten op dit certificaat zijn exact gemeten op de specifieke charge/heat waaruit uw levering afkomstig is.
Wanneer te gebruiken: Verplicht voor EN 1090 Executieklasse 2, 3 en 4 en bij nagenoeg alle projecten die onder de Drukapparatuur Richtlijn (PED) vallen.
Hoe borgt u traceerbaarheid op de werkvloer? (Het 'Overstempelen')
Het hebben van een 3.1 certificaat in de computer is pas stap één. De echte uitdaging zit in de werkplaats. Zodra een lasser een grote staalplaat in stukken snijdt of zaagt, verdwijnt op de reststukken het originele chargenummer (heat number) dat door de fabriek was aangebracht.
Als een auditor van een certificerende instantie een reststuk in uw magazijn ziet liggen zonder markering, is dat een directe afkeur. Om dit op te lossen, moet uw bedrijf een procedure hebben voor het overstempelen (hermarkeren) van materialen:
Vóór het snijden of zagen wordt het unieke chargenummer handmatig overgebracht op de delen die overblijven.
Dit mag alleen worden uitgevoerd door medewerkers die hiervoor aantoonbaar zijn geautoriseerd door de lascoördinator.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin de koppeling tussen het certificaat en het projectnummer strak is vastgelegd.

Hoe helpt ArcAssure uw materiaalbeheersing op orde te krijgen?
Materiaaltraceerbaarheid is een van de vaste valkuilen tijdens FPC-audits. ArcAssure helpt bedrijven bij het inrichten van een hermarkeersysteem.
Veelgestelde vragen over materiaalcertificaten (FAQ)
- Wat is een 3.2 certificaat?
Een 3.2 certificaat gaat nog een stap verder dan een 3.1 certificaat. Hierbij worden de specifieke testen in de staalfabriek niet alleen door de fabrikant zelf gecontroleerd, maar is er tevens een onafhankelijke externe inspecteur (bijvoorbeeld van een NoBo zoals TÜV of Lloyd's) aanwezig die de testen valideert. Dit wordt geëist bij extreme risicoconstructies in de offshore of nucleaire industrie. - Mogen we materialen zonder certificaat gebruiken voor een EXC 2 constructie?
Absoluut niet. Elk dragend onderdeel binnen Executieklasse 2 moet aantoonbaar herleidbaar zijn naar een materiaalcertificaat (minimaal 3.1 voor dragende delen). Materialen zonder certificaat mogen uitsluitend worden ingezet voor non-constructieve doeleinden (zoals tijdelijke hulpstukken of mallen).
